vrijdag 30 oktober 2009

Marita

Een lange dag, vandaag, met voor de afwisseling eens niet 1000 dingen, maar slechts één: we vierden een marathonfeestje bij gelegenheid van het afscheid van Marita Mathijsen als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.

Marita met emeritaat? Tsja, ze wordt doorgaans jaren
jonger geschat dan ze eigenlijk is. Toen in 2003 Marita’s boek De gemaskerde eeuw verscheen, kende ik haar nog niet zo heel lang, maar toch lang genoeg om zeker te weten dat ze toen een jaar of twee, drieënvijftig was. Iemand voor wie de ‘pensioenplichtige leeftijd’ (Marita) nog ver, zeer ver weg was. Een wetenschapper in het zenit van haar carrière, vol plannen en ideeën en in full swing. Toen ik haar boek gelezen had, bleek dit allemaal te kloppen, behalve haar leeftijd.

Er zit veel Marita Mathijsen in De gemaskerde eeuw. Ze begint en eindigt het boek bij zichzelf: op de eerste bladzijden maken we kennis met het jonge meisje in Belfelt, dat tussen de Limburgse boerderijen en arbeidershuisjes de negentiende eeuw nog een hand kon geven. Op de laatste bladzijde staan we op het Spui in Amsterdam, midden in de heksenketel van de summer of love. Daar, schrijft Marita, werden de verworvenheden van de 19e eeuw voor het eerst zonder schroom geëtaleerd. Het demasqué van de eeuw was een feit.

Marita heeft er zelf ook tussen gestaan, in 1968. Als vierentwintigjarige studente, die wat vreesachtig achter haar aksie voerende man aanhobbelde, haar eigen ambitie om de brieven van de Schoolmeester uit te gaan geven nog even uitstellend voor de revolutie. Ze was erbij, en het gaat over haar. Die betrokkenheid, waarvan haar hele werk op het gebied van de 19e-eeuwse cultuur doortrokken is, maakt De gemaskerde eeuw zo’n onweerstaanbaar boek. Marita zet zichzelf nadrukkelijk in, als verbeeldingsrijke gids die het verleden bijna tastbaar maakt.

Het is dezelfde betrokkenheid die Marita’s colleges zo vermaard hebben gemaakt. Ze sleept allerlei attributen aan, sporttassen vol. De halve inboedel van de Nicolaes Maesstraat wordt aan de studenten getoond. En ze mogen er aan zitten. Voelen, ruiken. Aanschouwelijk onderwijs. Mooi moment is het jaarlijkse college waarin ze met een skelet komt aanzetten. Een hele onderneming, waarvoor ook haar verloofde Floris een hele dag vrij schijnt te nemen. Vorig jaar was ik er getuige van hoe hij in een aftandse Volvo met dat geraamte kwam aanrijden, en hoe Marita en hij, als twee kibbelende amanuenses, tien minuten met dat rammelende ding stonden te hannesen op de stoep. Maar de studenten hebben het er nóg over. Net als over de zwervers die Marita steevast in haar college over de 19e-eeuwse liefdadigheid uitnodigt. Of ze hebben het gewoon over Marita Mathijsen zelf. Dat dat toch zo’n markante persoonlijkheid is, die de 19e eeuw in haar colleges zo verbazingwekkend dichtbij weet te halen. We kunnen de negentiende eeuw ruiken, ook zonder zwervers.

De negentiende eeuw is een vrouw, zo begint Gemaskerde eeuw. Dat klopt. De negentiende eeuw is Marita Mathijsen.

Nou weet Marita als geen ander dat dat niet alleen goed nieuws is. De eeuw kan natuurlijk alleen gemaskerd zijn, als er ook wat te maskeren valt. Ontucht, misdaad, drankzucht – het gaat in Marita’s werk opvallend veel over de donkere, veile kanten van de mens.

We hebben Marita vandaag geloofd, geprezen, bedankt, bewonderd en in de adelstand verheven, maar persoonlijk houd ik vooral van haar omdat de lieve knuffelmarita ook een vileine, misschien wel een beetje gemene, menselijke kant heeft. Een kant die ze cultiveert en waar ze zelf met zo’n typische licht sardonische Marita-grinnik over kan vertellen. De Marita die subliem kan roddelen, die met aanstekelijke pretoogjes kan opscheppen, die haar collega’s nuttige, maar ongevraagde en op z'n zachtst gezegd onconventionele adviezen geeft op het gebied van liefde en seksualiteit, en die kwade bedoelingen op een kilometer afstand herkent.

Het leuke is dat al deze zegenrijke valsigheid volkomen openlijk en met grote innemendheid wordt geëtaleerd. Marita is en blijft de soixante-huitard (al zou je haar tenminste tien jaar jonger schatten) die niet van maskers houdt – ze heeft niet alleen de maskers van de 19e eeuw opzij geschoven, maar ook die van haarzelf. Ook in dat opzicht is er bij haar niet heel veel onderscheid tussen leven en werk. Ik ken geen andere collega die zichzelf zo persoonlijk, en zo volledig als mens inzet voor haar vak en voor de collega’s en promovendi om wie ze geeft.

Het was een prachtige dag, maar we blijven een beetje treurig achter. Als trotse, maar ook deemoedige bewaarders van Marita’s professionele erfenis, hopen we iets te hebben geërfd van de haar kenmerkende betrokkenheid: bij studenten, vakgenoten én het object van het vak.

Gelukkig mochten we Marita vandaag strijdbaar horen zeggen dat ze niet voor de goede zaak verloren is. Verrassend was dat niet (wie een beetje thuis is in de neerlandistiek of in de literatuur weet dat Marita’s energie en productiviteit niet te stuiten zijn en dat niets erop wijst dat dat zal veranderen), maar prettig wel. Dat emeritaat, dat is allemaal goed en wel, maar ze moet haar goede werken natuurlijk wel gewoon voortzetten. Want zoals zij, zo worden ze niet al te vaak geboren.

woensdag 28 oktober 2009

'n Indisch avondje in Amsterdam

Op vrijdag 23 oktober ging Nederland Leest 2009 van start in de OBA. De openingsavond werd verzorgd door de Werkgroep Indische Letteren, aangezien dit jaar Oeroeg van Hella Haasse gratis wordt aangeboden aan de lezer. Hans van Velzen, directeur van de OBA, greep de gelegenheid aan om te laten zien dat ‘Amsterdam boordevol Indië is’. Op de website van de bibliotheek kan je nu zelfs een Indische fietstocht door Amsterdam vinden, die voert langs memorabele plekken die de koloniale herinnering aan het Amsterdamse VOC-verleden tot leven brengen.

Het was een Indisch avondje. Pamela Pattynama hield een lezing over Oeroeg (1948) en Sleuteloog (2002), waarin ze aantoonde hoe de vergelijking tussen beide werken niet alleen de ontwikkeling in het denken van Hella Haasse zelf aan het licht brengt, maar ook een metafoor vormt voor de publieke verwerking van een koloniaal verleden. De man van gas en licht van Nicolette Smabers werd gepresenteerd, waaruit blijkt dat Indië nog altijd een hedendaags onderwerp vormt. In de pauze was er spekkoek, Theodor Holman las op bevlogen wijze een brief van Tjalie Robinson voor, en daarna hield Wim Willems een lezing over deze Indo-voorvechter. De avond werd afgesloten met een discussie.

Deze discussie werd geleid door Kester Freriks en en Sylvia Dornseiffer en droeg de titel “Ik hoor hier niet bij”, Indische stemmen in de literatuur. Kester Freriks lichtte de titelkeuze toe met de volgende zin: ‘Buitenstaanderschap is een wezenlijk kenmerk van de Indische literatuur.’ Zo verweet de nestor van de Indische literatuurwetenschap, Rob Nieuwenhuys, Hella Haasse bijvoorbeeld dat zij geen goed boek kon schrijven over de Indische samenleving, omdat ze blank was. ‘Voel jij je een buitenstaander binnen de Nederlandse literatuurwetenschap?’ vroeg Dornseiffer aan Pattynama. ‘Heb jij dat gevoel ook, dat je er niet bij hoort?’ Vol overtuiging – en hoorde ik daar lichte verontwaardiging in haar stem? – antwoordde Pattynama: ‘Ik hoor er wel bij! Indië is een belangrijke component van de Nederlandse cultuur en dus ook van de literatuur. Mulisch, Hermans en Reve hebben ook over Indië geschreven.’

De discussie over ‘erbij horen’ ging verder. Over de plek van de Indische literatuur binnen de Nederlandse literatuurgeschiedenis, en vooral het gebrek aan die plek. Over dat het niet mogelijk is in Nederland om tegelijkertijd Indo en Nederlander te zijn. Je moet ergens bijhoren, een keuze maken. Er werd een stukje vertoond uit de documentaire Ik ben een Indo ja, en zo wil ik leven die Ida Does maakte over Tjalie Robinson. In dat fragment kijkt Robinson vol verbazing naar de hoeveelheid spullen die Nederlanders in hun huis zetten: ‘Als ik ooit zo ga leven ben ik verloren.’ Misschien is die worsteling met de betekenis van identiteit wel het belangrijkste kenmerk van de Indische letteren. Een universeel en tijdloos thema overigens, want is dat ook niet waar het in hedendaagse migrantenliteratuur allemaal om draait?

Ik begon me wat ongemakkelijk te voelen, en ik keek eens om me heen. Ik telde nog vier andere blonde mensen in de zaal. Naast mij zaten de oprichters van de website www.indisch3.nl, een weblog voor derdegeneratie Indische Nederlanders. Kennelijk zijn het vooral Indische mensen die de Indische letteren lezen, op zoek naar jeugdherinneringen, of de geschiedenis van ouders en grootouders. In mijn gedachten sprak de geest van Rob Nieuwenhuys mij streng toe: ‘Jij bent zo blank als Hella Haasse, hoe kan jij nou ooit iets goeds schrijven over de Indische letteren?’ Ik was een Nederlandse stem in de Indische literatuur. Ik hoorde er niet bij.

En opeens vroeg ik me af: Willen de Indische letteren er eigenlijk wel bijhoren? Als alle Indische auteurs worden opgenomen in een volgende Nederlandse literatuurgeschiedenis, waar zal de discussie dan over gaan? Ik bleek een medestander te hebben in Nicolette Smabers, die heftig zei: ‘Uitzoeken in hoeverre mensen Indisch zijn is muggenzifterij. We kunnen het ook breder zien, de discussie kan over migratie gaan, ook nu zijn er kinderen die tussen twee culturen leven.’ Ik haalde opgelucht adem. Iemand durfde het te zeggen. Als je wilt dat de Indische letterkunde een prominentere rol gaat spelen binnen de Nederlandse literatuurbeschouwing, dan is het nodig om verder te kijken dan kwesties als ‘Hoe Indisch is deze auteur’ en ‘Waarom horen we er nog altijd niet bij’. Dan moet je het over de inhoud gaan hebben.

Maar deze avond kreeg ik de indruk dat de Indische letteren zover nog niet zijn. De neiging om het unieke van de Indische literatuur te koesteren en te beschermen is te sterk. Zo noemde Pattynama de schrijfster Maria Dermoût een ‘verborgen juweel’, en daar voegde ze aan toe: ‘En ik weet soms niet of dat moet veranderen, of dat dat zo moet blijven.’ Duidelijker wordt het niet: de Indische letteren willen Indisch blijven, en lijken er nog niet aan toe te zijn om naast spekkoek ook bitterballen te serveren.

vrijdag 16 oktober 2009

HijHeldArnonGrunberg

In 1968 verklaarde Roland Barthes de dood aan de auteur als enige sleutel tot de geheimen van de meerstemmige tekst. Toch verleiden we de schrijver om antwoord te geven op vragen over zijn eigen werk. Stiekem hoor je het liefst: ‘Je hebt gelijk jongen, goed gezien,’ gevolgd door een bemoedigend schouderklopje. Arnon Grunberg was niet geheel overtuigd van mijn interpretatie van Onze oom (2008). Gelukkig maar, anders konden we allebei beter iets anders gaan doen.

Van het oeuvre van Ronald Giphart herinner ik mij slechts één moment. De jonge schrijver en student Nederlands, Giph, probeert met zijn studentenvrienden bij het boekenbal naar binnen te sneaken. Dat lukt. De jongens ontmoeten hun idool, hun schrijversidool, ‘HijGodJeroenBrouwers’.

Een schrijver is allang geen god meer, hoogstens een held, met alle menselijke tekortkomingen van dien. In Leiden volg ik vanaf september college bij ‘HijHeldArnonGrunberg’, zeven weken lang, drie uur per week.

Ook in Amsterdam hadden we Grunberg nodig, niet om één exacte reden – die was er niet – maar om heel veel redenen. ‘Zoveel redenen als sterren aan de hemel,’ zou Kader Abdolah schrijven.

Dinsdag 13 oktober 2009 verscheen Arnon Grunberg op uitnodiging van dr. Yra van Dijk in collegezaal 4.11 van het P.C. Hoofthuis. Grunberg zou meediscussiëren tijdens het college ‘Literatuur en betekenis. Casuscursus intertekstualiteit.’ Ik mocht het spits afbijten en vertellen over Onze Oom (2008) in het licht van de Griekse tragedie. Een eer, een unicum.

Iets over negen, het college begint. ‘Heb je het gelezen?’ vroeg ik Arnon. ‘Wat, bedoel je?’ zei hij, niet direct begrijpend. ‘Of je Onze oom gelezen hebt, een grapje.’ De schrijver toverde een brede grijns op zijn gezicht. Spannend vond ik het wel. Ik zou de schrijver zijn eigen boek gaan uitleggen.

In Onze oom zie ik sporen die ons naar de Griekse tragedie leiden. Het boek is verdeeld in vijf parten, vijf bedrijven. Hiernaast vertoont majoor Anthony overeenkomst met Antigone uit Sofokles’ tragedie Antigone. Net als Antigone leidt Anthony’s hoogmoed (hij neemt het kind Lina mee, hierdoor gaat Anthony als individu in tegen de wetten van de staat, ‘die als een oom voor hem is’(1)) onherroepelijk tot zijn ondergang (majoor Anthony wordt veroordeeld (!) tot dood door vergeetachtigheid, hij sterft in een gat in de grot). Ook voldoen de plot en de personages aan enkele eisen die Aristoteles aan de tragedie stelt in zijn Poëtica.

Terecht schrijft Kierkegaard dat Aristoteles’ definities een algemeen karakter hebben, ‘waardoor men het goed met hem eens kan zijn, terwijl men het in andere zin met hem oneens is.’(2) Hierom maakt Kierkegaard onderscheid tussen ‘het antiek tragische’ en ‘het moderne tragische’.
‘Ook al kon het individu zich vrij bewegen, het rustte toch in substantiële bepalingen, in de staat, in de familie, in het noodlot. Deze substantiële bepaaldheid is het eigenlijke noodlotzwangere in de Griekse tragedie en datgene wat haar ten diepste typeert. De ondergang van de held is daarom niet alleen maar een gevolg van zijn handelen, maar tegelijkertijd een lijden, waarentegen de in de nieuwere tragedie de ondergang van de held in wezen geen lijden is maar daad. In de nieuwere tijd zijn daarom eigenlijk situatie en karakter het overheersende. Wat ons interesseert is een zeker specifiek moment van zijn leven als zijn eigen daad. De held staat en valt volledig met zijn eigen daden.’ (3)

Het onderscheid tussen het antiek en het moderne tragische is in Onze oom niet zo makkelijk gemaakt. Toch blijkt Kierkegaards context uiterst productief om de personages Lina, majoor Anthony en de Dirigent beter te begrijpen. Tot slot leidt de Griekse tragedie ons naar de kwintessens van de ethische discussie in Onze oom: moraal is afhankelijk van de situatie en omgeving waarin je verkeert.

Ik eindigde met een voorlopige conclusie: ‘Door Onze oom te lezen via de context van de Griekse tragedie krijgt het boek een relevantere betekenis en krijgen we beter inzicht in Grunbergs vaak moeilijk te doorgronden personages en ethiek.’ Vervolgens stelde ik de vraag of Grunberg zich in het spoor van Sofokles begeeft, en de tragedie met Onze oom nieuw leven inblaast.

Een verhitte discussie kwam niet van de grond. Dan toch maar de auteursintentie. Ik vroeg Grunberg of hij bewust de parallel met Antigone in zijn boek had verwerkt. ‘Antigone is één van de tragedies die ik beter ken dan vele andere - ik heb het als toneelstuk vaak gespeeld op het Vossius gymnasium, ik had een bijrol, ik zat in het koor - maar heb haar niet bewust in het boek gestopt.’ Hoewel ik hem geloofde, vond ik het toch een dubbelzinnig antwoord. Grunberg vervolgde: ‘Ik ben bovendien niet geheel overtuigd. Ik vind dit een aanzet, maar als je een parallel wilt aanwijzen, zou ik meer willen weten, dan... dit.’ Hij keek naar mijn hand-out alsof het een vodje papier betrof, een belediging voor zijn werk.

Bijna viel ik in een spleet in de aarde. Maar ik herwon mezelf en kwam boven. ‘Dus je wilt een bewijs van één-op-één?’ zei ik. ‘Schrijvers verraden in de tekst bijna nooit letterlijk hun bron. Hiernaast heb ik meer argumenten gegeven voor een tragische lezing dan alleen de Antigone-parallel. Bovendien schrijft Roland Barthes in “De dood van de auteur” dat niet de auteur, maar de lezer het laatste woord heeft. “De lezer is de ruimte waar alle citaten waaruit het schrijven bestaat resoneren, waar hun inscriptie plaatsvindt zonder dat er ook maar één verloren gaat.’’’(4)

‘Dat ben ik met je eens, ik ben hier geheel overbodig,’ zei Arnon afgemeten. Yra van Dijk doorbrak de impasse en nam de discussie over. Haar vragenvuur ging over het Bijbelse offer, de leegte, Nietzsches dionysische versus het apollinische.

In zijn antwoorden verklaarde Grunberg de daden en ideeën van zijn personages op grond van hun karakter, omgeving en situatie. Hij omschreef zichzelf als een ‘literair antropoloog’, toch iets anders dan een ‘literair filosoof’.

Langzaamaan kwamen de vragen van studenten aan Arnon. Grootse, maar moeilijk te beantwoorden vragen, gebaseerd op citaten van Schopenhauer, Nietzsche en Hegel. Er werd met filosofen gestrooid als waren ze witte rijst bij een bruiloft, op hoop van zegen.

Voor de discussie was het beter geweest als Grunberg van te voren dezelfde teksten had gelezen. Of we hadden duidelijk één onderwerp moeten kiezen om over te praten. Het was wat ongericht, maar daarom niet minder aangenaam. De schrijver, onze held, zat in ons midden.

Mijn verlossing kwam pas de volgende dag, in Leiden, mijn geboorteplaats. Tijdens het college over Langzame man (2005) van J.M. Coetzee, sprak Grunberg de volgende woorden. ‘Een schrijver kan zich vergissen in zijn eigen bedoelingen, soms begrijpt hij zijn eigen verhaal niet. Een goede schrijver kan een slechte interpreet zijn van zijn eigen werk.’

Het was het laatste college over Coetzee, ik nam afscheid van Arnon in deze context. ‘Leuk je ontmoet te hebben,’ zei hij, gevolgd door een natte hand, mijn schouderklopje.

(1) Arnon Grunberg, Onze oom. Amsterdam: Lebowski publishers, 2008. p. 16.
(2) Søren Kierkegaard, ‘De weerspiegeling van het antiek tragische in het moderne tragische’, in Of/Of. Een levensfragment, vertaald door Jan Marquart Scholtz. Amsterdam, Boom. pp. 149-177. p. 152.
(3) Kierkegaard, p. 155.
(4) Roland Barthes, ‘De dood van de auteur’. In: Het werkelijkheidseffect. Brussel: Historische Uitgeverij, 2004. pp. 121-122.

dinsdag 13 oktober 2009

Het spetterende dichtersbolwerk



Vrijdagavond vond er een dichtersfeest plaats rondom de prijswinnaar van de Jo Peters Poëzieprijs uit 2008: Edwin Fagel, de dichter die vorig jaar tijdens een poëziefestival in Landgraaf te horen kreeg dat niet het werk van Micha Hamel, Ruth Lasters of Ester Naomi Perquin in de prijzen viel, maar dat zijn bundel Uw afwezigheid bekroond zou worden (zoals dat in 2002 bij Alfred Schaffer gebeurde, in 2004 bij Hagar Peeters en in 2006 bij Jan-Willem Anker). Vorig jaar ontving hij het eerste deel van de prijs (€ 1250,-), vrijdagavond het tweede (€ 2750,-), een opsplitsing die uiteraard alles te maken had met enkele voorwaarden: Fagel had de opdracht gekregen een tweede, ‘door de Stichting Jo Peters PoëziePrijs bibliofiel uit te geven’ bundel te schrijven. Gisteravond was het dan zo ver, Fagel heeft zijn tweede bundel genaamd Schilder en model gepresenteerd. In het afgehuurde Perdu kreeg hij een eerste exemplaar. De overige 139 exemplaren werden voor slechts 35,- euro aan de bezoekers aangeboden.

Vanuit de dichtershoek was natuurlijk niet alleen Edwin Fagel aanwezig. De avond werd geopend met voordrachten van eigen gedichten door Hester Knibbe, Erik Menkveld, Tonnus Oosterhoff en Saskia de Jong. In het publiek trof men ter ondersteuning van het dichtersaandeel onder andere Robert Anker, Mustafa Stitou, Marjoleine de Vos en Erik Lindner aan. Het geheel werd gepresenteerd door de nog niet bekroonde dichter Tsead Bruinja, die ons overigens verzekerde een luid publiek met een knuppel stil te slaan, mocht het zover moeten komen. So far so good. Het dichtersbolwerk stond in vuur en vlam; goede presentatie, zeer feestelijke en uiteenlopende voordrachten. Maar toen, toen was daar het tweede gedeelte: een interview met Fagel door Marja Pruis.

Ik ben die avond fan geworden van Fagel, ik heb ook niets tegen Pruis. Waar ik kennelijk wel moeite mee heb, is de combinatie Fagel-Pruis in de vorm van een interview. Ik begrijp dat ik het gesprek moet zien in de context van een feestelijke (lees: politieke) aangelegenheid, in de context van een vrolijke prijsuitreiking, maar het tamelijk chemieloze gesprek dat er tussen de twee plaatsvond had wel iets uitdagender, voor mijn part provocerender mogen verlopen. Dat de twee daar niet in konden slagen had volgens mij alles te maken met de brave, doch dominante interviewer die vragen stelde van de strekking ‘kan je jouw baan met dichten combineren’ of ‘wat betekent deze zin’. Pruis ging al de fout in door Fagel vooraf te laten kiezen tussen een persoonlijk of principieel gesprek… Fagel koos voor het laatste, maar op een of andere manier slaagde Pruis er niet in de persoon Fagel los te laten. Ging het niet over zijn werk (iets met dakbedekking?), dan ging het over zijn omgang met interpreterende lezers. Als je Fagel voor de keuze stelt, houd je dan ook aan de afspraak. Beperk je principiële vragen in ieder geval niet tot een of twee.

Opmerkelijk vond ik ook de vergelijking met Martinus Nijhoff die Pruis maakte en die Fagel met gemak over zich heen liet komen. Fagel gaf aan dat hij de vergelijking in de eerste instantie zelf niet zo gemaakt zou hebben, maar dat hij zich er wel in kon vinden: net als Nijhoff maakt hij gebruik van religieuze motieven, terwijl hij toch ongelovig meent te zijn. Deze vergelijking kwam toen al, maar achteraf gezien helemaal, een beetje plat op mij over. Was daar op doorgegaan, denk ik dan. Had ze dat gedaan, had ze een duik in het werk durven nemen, dan had ze het gesprek weer in de principiële richting kunnen duwen. Door niet dieper op de vergelijking in te gaan, miste ze een kans.

Maar goed, misschien paste een grondige analyse ook wel niet bij deze feestelijke (lees: politieke) aangelegenheid, waar het iedereen uiteindelijk om te doen was. Op de website van Fagel valt, gelukkig, dan ook te lezen dat het gesprek in zijn visie prettig is verlopen. En ik snap dat ook wel, het was een ‘prettig’ interview. Het was een vredig, oprecht, instemmend en vriendelijk interview. Ooms en tantes konden er ook van genieten (en dit bedoel ik niet cynisch). Bovendien, zo bleek uit het interview, houdt Fagel helemaal niet van voordrachten: een gedicht moet je lezen en een dichter dien je persoonlijk te benaderen, het liefst met een bundel in je hand (wat ik een hele sterke marketingstunt vond). Misschien geldt dat inderdaad wel voor de poëzie voor Fagel, en voor Fagel zelf ook. Misschien moet je zijn poëzie wel gewoon lezen en hem persoonlijk aanspreken. Aan de andere kant ben ik geneigd te zeggen, dat het jammer is dat hij niet graag en dus ook niet vaak een voordracht houdt: na het interview hield hij een hele, hele mooie.

Het feest ging na de laatste woorden van Bruinja, die zijn knuppel niet tevoorschijn heeft gehaald, nog even door. Handjes en schouderklopjes, felicitaties en toosten. En ik stond achter de bar een man met een kwade dronk te bedienen.

woensdag 30 september 2009

Thomése doet zichzelf tekort

Op de NRC Opiniepagina van afgelopen vrijdag (25-9-2009) vindt P.F. Thomése dat recensent Stine Jensen personages in romans niet mag verwarren met de schrijver van die romans. Dat is redelijk. Maar dan blijkt Thomése een complot op het spoor. Een complot van ‘de zogeheten nieuwgeletterden, de leuke moderne mensen met een mening’.

Zulke mensen, zegt Thomése, verwarren de uitspraken van personages en de opvattingen van hun schepper met opzet omdat ze moralisten zijn die in de literatuur een ideaal werkterrein zien, want daar kunnen feit en verbeelding zo lekker door elkaar heen gehaald worden. En dan ontstaat een vorm van ‘gelul’, waarmee ‘mevrouw Jensen en met haar zo heel veel anderen zo’n dankbare broodwinning hebben gevonden’. Het is tijd om hen te gaan tegenspreken, zegt Thomése dan, want ‘de kloof tussen auteur en personage is geen flauw ironisch en/of postmodernistisch trucje om vrijblijvende praatjes rond te strooien. Ondanks wat er overal over beweerd wordt, zelfs op onze universiteiten’.

Thomése zegt niet waar hij zijn wijsheid over ‘onze universiteiten’ vandaan heeft. Ook maakt hij niet duidelijk wie er overal van alles beweren over ironische en/of postmodernistische trucjes. Het zijn de vage beschuldigingen van iemand die ergens een klok heeft horen luiden. Iemand die in zijn ijver het vermeende complot te bestrijden de discussie over de relatie tussen feit en fictie, tussen werkelijkheid en literatuur veel te eenvoudig voorstelt.

De verwarring waar Thomése zich tegen teweer stelt, is allerminst nieuw. Befaamd is bijvoorbeeld in literaire kringen de rechtszaak die in 1952 aangespannen werd tegen de auteur W.F. Hermans omdat een personage in zijn roman Ik heb altijd gelijk het katholieke volksdeel beledigd had. Het was destijds een academicus, prof. dr. G. Stuiveling, die als getuige-deskundige optrad. ‘Wanneer enig auteur aansprakelijk gesteld zou kunnen worden voor wat hij zijn personages laat zeggen’, zei Stuiveling destijds, dan ‘zou er geen enkel toneelstuk meer kunnen worden opgevoerd’. Daar had de Amsterdamse hoogleraar Nederlandse letterkunde natuurlijk gelijk in: waar mensen of personages met elkaar in dialoog treden, zoals in een toneelstuk of roman, vindt er altijd een botsing van meningen plaats. Wie de auteur wil afrekenen op een van die meningen, die staat tegenover de rechter niet sterk.

Stuiveling kreeg zijn zin. Hermans’ vrijspraak markeerde de sociale aanvaarding van de conventie dat wat er in een literaire tekst gebeurt niet zomaar op de werkelijkheid van de auteur betrokken mag worden. Die autonomie werd een soort mensenrecht van de schrijver. Dat is het gelukkig nog steeds, maar je kunt je ook afvragen of Hermans met zijn roman niet toch een wat meer inhoudelijke discussie op gang had willen helpen. Volgens de overlevering verliet de auteur in elk geval de rechtszaal met een gezicht als een oorwurm: van triomfalisme was geen sprake.

Een schrijver experimenteert in zijn roman met opinies, standpunten, gedachten en gevoelens. Soms worden die toegeschreven aan een personage, soms is het de vertelinstantie, soms zijn standpunten of gedachten alleen maar geïmpliceerd. De roman kan nooit tot een van die standpunten of gedachten worden gereduceerd, tot zover ben ik het helemaal met Thomése eens: daarvoor klinken er te veel stemmen in de klankkast die een roman is. Maar daar staat tegenover dat geen enkele stem uit die roman kan worden weggelaten. Dan wordt het een roman die ofwel iets anders ter discussie stelt, ofwel hetzelfde op een andere manier.

De ‘betekenis’ van een roman moet begrepen worden in termen van resonanties: de resonanties van maatschappelijke onderwerpen binnen de veelstemmige klankkast van de roman (wat komt er uit de buitenwereld in de roman terecht?) en de resonanties van de roman in de buitenwereld (wat is het effect van de roman?). De roman-als-klankkast intervenieert op een heel bijzondere, complexe en specifiek literaire manier in de wereld. Auteurs zijn zich vanzelfsprekend van die complexiteit bewust, maar in de praktijk blijkt het niet eenvoudig te zijn haar voor het voetlicht te krijgen op het moment dat die auteurs, zoals Hermans overkwam, op weinig subtiele wijze aangevallen worden op wat hun personages beweren.

Vijfendertig jaar na Ik heb altijd gelijk lag opnieuw een schrijver onder vuur. Criticus Aad Nuis sprak naar aanleiding van Frans Kellendonks Mystiek lichaam van ‘onmiskenbaar antisemitisme’ en vond de roman ‘opvallend rijk aan weerzinwekkende onzin’. Van een rechtszaak kwam het deze keer niet, maar dat weerhield de academische literatuurbeschouwing er niet van de aangevallen schrijver opnieuw (en met dezelfde argumenten als Stuiveling destijds) te verdedigen. Neerlandici wezen er nog maar eens op dat een auteur niet op basis van uitlatingen van zijn personages veroordeeld kan worden. Zeker niet in een roman die zo ironisch was als deze van Kellendonk.

Voor iemand die het vooral belangrijk vindt dat auteurs in discussies over literatuur buiten schot blijven, is de kous hiermee misschien af. Kellendonk, echter, was niet tevreden. Vanzelfsprekend heeft hij nergens verantwoordelijkheid genomen voor de uitlatingen van zijn personages (‘in een roman worden denkbeelden niet verkondigd, maar gedramatiseerd’, aldus Kellendonk), maar hij eiste wel de verantwoordelijkheid op voor de klankkast Mystiek lichaam. ‘De roman als geheel heeft wel degelijk een strekking waarop de schrijver mag worden aangesproken’, zei hij in een interview: ‘die strekking is de resultante van alle op elkaar inwerkende krachten in het drama van het boek. En is overigens weer iets anders dan de bedoeling van de schrijver, zoals hij die in voorwoorden of in vraaggesprekken te kennen heeft gegeven’.

‘Een auteur en zijn personage moet je echt uit elkaar zien te houden. Anders houdt het op’, schrijft nu Thomése. Dat punt maakte destijds Stuiveling ook al, maar Hermans trok er een zuur gezicht bij. En Kellendonk, vijfendertig jaar later, zag misschien nog scherper dat het maar het halve verhaal is. Het is een reflex die op zichzelf volkomen juist is, maar die ons, als we erin blijven steken, belet een roman serieus te nemen. Want waar hebben we het nog over als we, bang om voor idioot of ‘nieuwgeletterde’ uitgemaakt te worden, de uitspraken van Thomése-personages als J. Kessels (J.Kessels: the Novel) of Fons Nieu­wen­huijs en Hans Por­tiel­je (Vladiwostok!) niet ernstig durven nemen als door de auteur noodzakelijk gevonden ingrediënten van een complexe bijdrage aan de discussie over onze samenleving? De door Thomése gewraakte passage in het stuk van Stine Jensen heeft betrekking op de manier waarop in Thomése werk mannen worden geportretteerd. Ik vind dat Jensen best iets mag vinden van de vrolijke macho Kessels of de zelfverzekerde klootzakken Nieuwenhuis en Portielje. En ik vind het vreemd dat Thomése boos wordt wanneer zij zich afvraagt of de representaties van zulke types in de literatuur wellicht iets over onze wereld zegt. Dat kan ik niet rijmen met de vlammende scherpte van de satire Vladiwostok! Waarom gaat Thomése niet voor dat boek staan? De van sarcasme doortrokken kop boven zijn stuk, ‘Waarom ik een seksistische macho ben’, is een flauwe reactie, waarmee de auteur zichzelf én de literatuur tekort doet.

dinsdag 29 september 2009

Wat lezen vermag

In het afgelopen anderhalf jaar verhuisden drie mensen uit mijn directe sociale omgeving naar Londen. ’t Is natuurlijk ook een fantastische stad, en er kunnen niet genoeg excuses zijn om er zo vaak mogelijk naartoe te gaan, maar na een weekend door te hebben gebracht aan de overkant van het Kanaal voelt Amsterdam altijd weer als thuis. Toch denk ik soms dat ze sommige dingen daar beter hebben begrepen dan hier.

Vorige week ontving ik van vriendin L. een bijzondere mail. Op een middag stapte ze nietsvermoedend in de metro, toen ze zag dat er overal boeken stonden, met dit briefje erin. Sinds een paar weken verschijnt thelondonpaper, de gratis avondkrant met een oplage van 500.000 exemplaren, niet meer: 15 miljoen euro verlies op jaarbasis is zelfs mediamagnaat Rupert Murdoch te gortig. Op de eerste dag zonder thelondonpaper was er echter een alternatief voor de verveelde forens, ‘thelondonpaperlibrary’. Het concept is even simpel als doeltreffend en al bekend uit bijvoorbeeld Australische backpackerscafés: je neemt een boek van je gading mee, leest het uit, en zet het weer terug voor de volgende. Vriendin L. kreeg van een wildvreemde mevrouw een bundel in handen gedrukt van ene William Hazlitt (1778-1830). Ze begon te lezen, en zijn essays pakten haar direct. Twee dagen lang zat ze langs de Thames op een bankje, verzonken in On the Pleasure of Hating.

’t Zijn roerige tijden, zowel in de Republiek der Letteren als in politiek Nederland. We discussiëren over functies van verhalen en vormen van beleid. Het lijken afzonderlijke vraagstukken te zijn, maar soms komen dingen samen. In zijn artikel ‘Imagining what could happen. Effects of taking the role of a character on social cognition’ (2008) toont Jèmeljan Hakemulder (ook wel bekend onder de roepnaam Frank) aan dat het identificeren met een romanpersonage dat een bepaalde outgroup – sociale of etnische groepen waartoe de lezer zichzelf niet rekent – representeert, de mening over deze outgroup kan beïnvloeden. Hakemulders experiment zag er kort samengevat als volgt uit: de ene groep leest een droog essay over eerwraak, de andere groep een roman geschreven vanuit het perspectief van een Turks meisje dat verliefd wordt op een Sudanese jongen. Wat blijkt? De groep die de roman las, kan zich beter verplaatsen in de mores en drijfveren van de outgroup dan de groep die zich boog over het essay. Op basis van deze resultaten vraagt Hakemulder zich vrijblijvend af: ‘Is it high time to start using narratives to create multicultural understanding, tolerance and solidarity?’

Ja ja, dat klinkt heel mooi, dacht ik, maar makkelijker gezegd dan gedaan. Zie maar eens dat je de niet-lezende goegemeente van Marokkanen, Nederlanders en Turken aan het boek krijgt. Toen kwam de mail uit Engeland. Plotseling zag ik het voor me: heel Amsterdam-Zuidoost stapt ’s ochtends in de metro, en collectief haalt iedereen zijn boek tevoorschijn. Bellen hoeft niet meer, dus geen luidruchtige gesprekken. Harde muziek leidt alleen maar af, dus geen overlast van iPods. Mensen wisselen hun boeken uit, en wat thuis in de kast staat te verstoffen gaat mee de ondergrondse in. Noem het utopisch, maar in een tijd waarin Geert Wilders het überhaupt kan máken om te beginnen over een ‘kopvoddentax’ lijkt het me in ieder geval een goed begin.

Ondertussen stak vriendin L. gister willekeurig een straat over om Fleet Street te bereiken, en liep tussen een paar kantoorkolossen door. Ineens viel haar oog op een gedenksteen, ingemetseld in een gebouw: 'In a house on this site lived William Hazlitt (1829).' Het mooiste van lezen: zodra je je boek dichtslaat, is je wereld veranderd.

donderdag 24 september 2009

Groot-Amsterdams onderzoek

Terwijl het academisch jaar de afgelopen weken op alle niveaus is geopend en alle toegestroomde studenten zijn geteld, lopen er ook dingen af. Een korte rondvraag onder mijn lichting van 2005 leerde dat ik niet de enige ben wiens aanstelling als promovendus onlangs officieel afliep zonder dat het proefschrift zelf al af is, laat staan verdedigd. Mijn eigen onderzoek naar kenteringen in moderne Nederlandse dichterschappen – met T.S. Eliot als internationaal ijkpunt – moet komende maanden afkomen als ‘gastonderzoeker’, met gastvrij behoud van alle UvA-faciliteiten. Zou er inmiddels ook al een uitstroom van studenten op gang zijn gekomen? Dan geef ik ze Eliot als zakdoek: ‘In mijn aanvang is mijn einde’ (uit Four Quartets). En Jeff Wall zegt in De Groene Amsterdammer: ‘Ik geloof overigens dat mensen al aardig moe worden van dat soort ideeën over massacultuur. Na een tijdje denk je: wil ik nou echt alleen maar sciencefictionromans lezen? Zou het niet goed zijn om af en toe ook eens T.S. Eliot te lezen?’

Voor enkele Eliotboeken fietste ik sinds deze zomer naar de Vrije Universiteit, voorbij de Zuidas en haast net zo hoog, maar ook nog Amsterdam. De leeszaal letterkunde op de twaalfde verdieping was nagenoeg uitgestorven. Een van de weinige onruststokers was een soort Jezusfiguur volgens Pasolini, maar dan gehuld in een lange zwarte winterjas van synthetisch materiaal. Hij knisperde door de lege studiezaal om willekeurige boeken uit de kasten te halen en ze heel dicht bij waar ik werkte te ontvouwen. Hoe leger het in de zaal was, des te dichterbij hij kwam. Aan tafel brak hij zijn folioformaten Inscriptiones Graecae IX open, maar keek daarvan steeds steelser weg richting mijn hysopwitte Apple. Als ik terugkeek glimlachte hij gevaarlijk: ik pakte m’n spullen en maakte me uit de voeten richting de onvermijdelijke Douwe Egberts-automaat.

Sinds de seizoensopening loopt ook de VU weer vol met haar bevolking: een mengeling van Oudhollandse en internationale verschijningen. Naast de protestantse bustes die zich lijken te verheugen op een positie in Balkenende XIV, opvallend veel Amerikaans-academische klederdracht: zwarte laptoptassen gehangen over witte t-shirts boven stonewashed slobberjeans, afgerond door kraakwitte sportschoenen van een non-descript merk. Dit alles wordt fraai gecontrasteerd door vele strakgespannen hoofddoekjes in de centrale hal. Het gebouw mag grijs zijn, de bevolking is veelkleurig. In de gangen ruist het van de geruchten over de nieuwe Zuid-As-colleges van Ad Verbrugge, maar ook over de komst van Tariq Ramadan. De vraag schijnt alleen nog te zijn hoe de faculteit Godgeleerdheid hem gaat inzetten als bijzonder hoogleraar Islamitische Theologie. Binnenkort dus waarschijnlijk ook volle bak op de dertiende en veertiende verdiepingen (wijsbegeerte en theologie zijn de enige studies die de letterkunde op de VU overstijgen).

Toen ik er zelf studeerde meed ik de VU-zalen zoveel als kon, precies om de karaktereigenschappen die me er nu zo aan bevallen: stilte, koelte, beperkte stalkasten met alleen de canon, geen internet, airconditioning, veel uitzicht en zelfverstelbare luxaflex. Pas als vierdejaarsstudent kwam ik er geregeld om aankomende neerlandici rond te leiden die nog twijfelden tussen UvA en VU en alles eromheen. De zin die bij mijn rondleiding van de studiezaal letterkunde hoorde was:

Ik zat toen heel stil te werken,

de boeken waren als zerken

voor me, ik wist wel wat

elk graf in zich had.

De Anglicaanse bekeerling Eliot en de VU, akkoord, maar de marxist geworden Gorter? Toch is hij het om wie mijn proefschrift is begonnen en stamt de fascinatie voor zijn werk uit mijn jaren daar. Aanvankelijk voor het literair experiment van Tachtig (Mei, Verzen 1890), maar sinds mijn onderzoek ook voor zijn kenterjaren tussen 1890-1897 en zijn aankomst in het socialisme, waarover hij schreef:

Ik heb ’t gevonden, het menschengeluk,

al moest ik worden vierendertig jaar

eer ik het vond, en ging veel trachten stuk

in spannend worst’len en ijdel gebaar.

Om deze regels eens te interpreteren met VU-lenzen in: wat een merkwaardige christelijke connotaties voor de pasgeboren socialist die hij hier is. ‘Spannend worst’len’ (de elisie maakt het woord zelf tot een worsteling) brengt Jakob bij de Jabbok in herinnering, ‘ijdel gebaar’ en het ‘trachten’ zonder geluk klinken grondig gereformeerd. Als Gorter met deze afgeronde periode van worstelen op zijn tijd als Tachtiger doelde, is dat een duidelijke decharge van zijn jaren als literair experimentalist. Sinds hij Marx had leren kennen wist hij zich van die ijdelheid verlost. Een pas afgestudeerde theoloog wist me aan de hand van enkele Bijbelcitaten te vertellen dat ook Jezus waarschijnlijk ‘vierendertig jaar’ was toen hij de lift nam van de begane grond naar de theologische faculteit. Gorter bleef wel op aarde, maar zijn zerken van na 1897 zijn goeddeels uit het blikveld geraakt en liggen heel stil te wachten op herinterpretatie.

Spannend worstelen, zo zie ik het onderzoek graag de laatste maanden. Dat de VU in die afronding sinds kort weer een bijrol speelt, is poetic en academic justice. Toch, onlangs kreeg ik een facilitaire terechtwijzing voor dat Groot-Amsterdamse overspel. In de sleutel van mijn kamer op het P.C. Hoofthuis zat op een maandagochtend een knik van dik 30°. De UvA-sleutel is de stevigste van mijn bos, maar de rest was kaarsrecht. Op de sleutel staan hielp niet, het linoleum van de gangvloer gaf mee. Al op een van de eerste dagen als gastarbeider kwam ik mij UvA-kamer niet meer in.

Drie mannen van de gebouwendienst beneden boden uitkomst. De eerste kwam met een tang – tevergeefs. De tweede probeerde de schroefbank. ‘Joh, zó doe je dat,’ zei de derde, griste de sleutel weg, pakte een aambeeld en sloeg de geknikte sleutel met drie gemikte hamertikken recht: klenk, klink, klank – dat mijn oren klonken.