dinsdag 17 november 2009

Droogstoppels brief aan Mathijsen

Het begon zo… de opdracht voor het mini-essay van het vak Nederlandse Literatuurgeschiedenis 1800-1916 van Marita Mathijsen luidde in week 10: Batavus Droogstoppel verliest de grip op zijn gezin in de loop van Max Havelaar. Waar gebeurt dit? Waaruit blijkt dit? De bedoeling van de opdracht was natuurlijk dat we met citaten zouden laten zien dat Sjaalman ontregeling brengt.

Maar ik dacht: Droogstoppel (en die bestaat, ik ken er eentje) zal vreselijk hebben gebaald van die opdracht. Waarom maak ik van mijn essay niet een verontwaardigde brief aan de docent, van Droogstoppel zelf? Tenslotte deed Marita zelf ook zoiets (maar dan wetenschappelijk verantwoord) in De geest van de dichter, waar zij zogenaamde gesprekken voert met 19e-eeuwse dichters, een meesterlijk boek waarvoor ze in 1991 de Multatuliprijs kreeg.

Rest mij mijn essay in te leiden met de woorden van een schrijver die ook in een van de inspirerende colleges van Marita voorbijkwam, Helmers in De Hollandsche natie: “Hoe het ook zij, mogt gij bij het lezen van dit werk zoo veel genoegen smaken als ik bij het vervaardigen genoten heb, dan zou ik mij dubbel beloond rekenen”.


Zeer Geachte Hooggeleerde Mevrouw Professor Mathijsen,

Ik, Batavus Droogstoppel, makkelaar in koffie, Lauriersgracht No.37, heb niet de gewoonte brieven en zulke zaken te schrijven, maar aangezien ik nog een paar riem papier in mijn lessenaar had bewaard voor onvoorziene omstandigheden, wil ik graag van de gelegenheid gebruik maken om u ‘t een en ander over te brengen.
Ik mag dan nog niet de eer hebben gehad om tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau te zijn benoemd, zoals u – terwijl ik zulk een onderscheiding wellicht elk moment zal kunnen verwachten aangezien ik leef voor mijn vak, en dat zal niet ongemerkt zijn gebleven, overigens zou ik met Ridder in de Orde ook tevreden zijn, als bescheiden man ken ik mijn plaats – , toch waag ik dit schijven om u mijn onvrede duidelijk te maken over uw opdracht aan studenten. Als hooggeleerde vrouw zult u na het lezen van deze brief ongetwijfeld moeten erkennen, dat de resultaten van een opdracht als deze, waar het onderwerp: ‘verlies van grip op mijn gezin’ beschreven zou moeten worden, bij voorbaat, alleen geheel en al uit infame leugens en onwaarheden zal kunnen bestaan! Het zal eenzelfde soort verzameling zotternijen opleveren als de romans en poëzij van mijn tijdgenoten, schrijverij dat u in uw colleges placht aan te halen als verantwoording voor het feit dat vele straten in uw tijd vernoemd zijn naar dit soort leugenachtige lieden. Ik ben zoals u merkt, niet onterecht, lichtelijk verbolgen over uw optreden, en nadat ik eerst pardon heb geschreven voor mijn vurigheid, want ik ben altijd beleefd, zal ik u bedaard uitleggen hoe de zaken werkelijk staan.

Mijn vrouw mag dan een juffrouw zijn, maar ik, makelaar in koffie, ben in mijn gezin zeer stipt op onder meer godsdienst en zedelijkheid, en er is geen sprake van dat mijn gezag ook maar in het minst zou verminderen zoals u in het boek van Eduard Douwes Dekker denkt te kunnen vaststellen (Ha, Multatuli, zo vernoemt hij zich, is het niet van een overdreven schande?! Alles leugens en gekheid zeg ik u!). Mijn liefde voor de waarheid is mijn hoofdneiging, moet u weten, en dat kan met goed fatsoen jammerlijk niet van alle staatsburgers gezegd worden, dat moet u als Officier in de Orde toch roerend met me eens zijn.

Mijn Frits mag dan misschien wat eigenwijsachtig wezen met zijn taal, maar door mijn aanhoudende verbeteringen, want ik ben altijd geduldig, zal hij ooit het voorbeeld van mijn fatsoenlijk Nederlands in zijn mond nemen en met waardigheid mijn plaats kunnen innemen bij onze firma Last & Co. Hij is pas zestien jaren oud ziet u, en heeft nog veel te leren. De invloed van de jonge Stern heeft hem ook geen goed gedaan, dat moge duidelijk zijn. Verzen vol nonsens schrijven en andere van buiten leren, u zult begrijpen dat ik mijn Frits zo niet heb opgevoed, en mijn vrouw ook niet. Maar ik heb mijn plicht als vader vervuld en hem eens goed onder handen genomen. Spoedig zal het nu tot Frits doordringen dat pedanterie en zedeloosheid ten verderve leiden, eventueel met nog wat bijsturing van mijn hand. Mijn Marie is dertien jaar, en hadden zij en mijn Frits het pak van Sjaalman niet geopend, waaruit zij een neuswijsheid en sentimentaliteit hadden geput, zou me dat veel last hebben bespaard. Dan had ook mijn Frits Marie nooit aan het lachen gemaakt toen ik bij ’t ontbijt uit de Schrift las. Dat pak van Sjaalman is een waar Trojaans paard, waar niet alleen mijn kinderen, maar iedereen die het leest door wordt bedorven. Op de krans van de Rosenmeyers wordt er nu reeds op verzoek recht veel (uw studenten zouden zeggen: vet veel, maar dit doe ik niet) uit voorgelezen. Dit alles tegen mijn zin zult u begrijpen. Maar ik ben een man van het woord, en het was nu eenmaal afgesproken, hoezeer mij dat ook spijt achteraf.

Wel moet ik u om verschoning vragen als het gaat om het gedrag van de jonge Stern, die niet tot mijn gezin behoort. Hij kent allerlei tuig van verzen uit het hoofd en meent daarmee zelfs mijn Marie in de war te moeten maken. Leugens over gezangen met vleugels en andere onwaarheden, alles laf geklinkklank van woorden zonder slot of zin. Marie heeft daardoor de stichting van het ontbijt niet kunnen voortzetten, waarop ik haar gestraft heb met drie dagen kamerarrest op koffie en brood, want dit is een nuttig principe van me. Maar gelukkig heb ik ook de jonge Stern op het goede kunnen wijzen en zal hij daarvan geen geheim maken als hij zijn vader schrijft om mede te delen dat hij in een solide familie huist. Mijn vriend Dominee Wawelaar heeft Frits nog toegesproken, al was dat natuurlijk niet nodig geweest aangezien hij uit z’n spaarpot op mijn aanraden al iets aan ’t zendelinggenootschap had geschonken. En toen hij uitleg gaf over de bokken aan de linkerzijde en Gods onnaspeurlijke wegen, hebben Marie en mijn vrouw de dominee hierop eerbiedig toegelachen, in tegenstelling tot hoe het in het onware boek van Dekker staat beschreven. Want mijn gezin begrijpt hoe God alles zo bestiert dat rechtzinnigheid tot rijkdom voert. Vooral in Nederland, en dat is Gods wil zo.

U ziet hooggeachte mevrouw, dat waar ’t principes geldt, ik niemand ontzie, en dat er in het geheel geen sprake is van verlies van grip of dat soort laffe zaken. Ik hoop u met dit schrijven er dan ook van te hebben overtuigd dat uw opdracht er een van het leugenachtige soort is, dat ten allen tijden vermeden dient te worden.
Mocht u aan de hand van dit schrijven eens in echt gesprek (en niet een zogenaamd!) willen gaan om te ondervinden dat mijn geest van meer solide aard is dan die van mijn leugenachtige tijdgenoten, dan ben ik ten allen tijden bereid u een superieur kopje koffie aan te bieden en beleefd te woord te staan, zodat er in de toekomst wellicht iets degelijks van uw hand moge verschijnen. Want deftigheid en fatsoen laten zich niet verbergen, dat moge duidelijk zijn.

Met speciale Hoogachting, en vaderlijke groet,

Batavus Droogstoppel

(firma: Last & Co, makelaars in koffie, Lauriersgracht No 37)

zondag 15 november 2009

In memoriam Edgar Cairo

Vandaag exact negen jaar geleden werd Edgar Cairo dood aangetroffen in zijn woning in Amsterdam-Oost. De grootste virtuoos van het Surinaams-Nederlands en een van de allergrootste schrijvers in het Sranantongo was heengegaan. Om hem te gedenken een van zijn mooiste gedichten, dat ik zo vrij ben op te dragen aan alle gongosaman die sinds het verschijnen van de biografie van Anton de Kom opeens vonden dat de wereld hun braaksel verdiende. Beterschap!


mekunu

den wer' den neti‑rowyapon
fu ber' den krin deifesi

den kenki kunbat'tei
fu tori noyaso

...span den tongo k'ba
fu tes' a sapa
fu b'buwortu

...kari den gari k'ba
fu srepi kon na dorosei
a faya fu den du

den e bron

gongosaman
de fu bar' urei
dyarusuman
de fu dansi

a mi nen tapu
mi nyunman‑nen

tyuri f' den
baya
tyurun


ongerechtigheid

zij hebben hun rouwjapon van nacht aangetrokken
om hun schone gezicht van overdag te begraven

zij hebben hun navelstreng verwisseld
voor praatjes, op dit ogenblik

...hebben reeds hun gal opgeroepen
om naar buiten toe te slepen
het vuur van hun daad

ze staan in brand

de kwaadsprekers
staan op het punt hoera te roepen
zij die jaloers zijn
staan op het punt te dansen

ten koste van mijn naam
mijn rituele bijnaam

voor hen het teken van minachting
hoor
nog eens het teken van minachting

zaterdag 14 november 2009

Esprit d'escalier

Afgelopen vrijdag sprak Odile Heynders in de aula van de Universiteit van Tilburg haar inaugurale rede uit: Voices of Europe. Literary Writers as Public Intellectuals. Daarmee aanvaardde Heynders het ambt van hoogleraar in de Vergelijkende literatuurwetenschap.Heynders zet zich in Tilburg onder meer in voor twee jonge opleidingen: Cultural Studies (MA) en Liberal Arts (BA). Het was mooi om te zien hoe Heynders, van oorsprong neerlandica, met flair haar vleugels internationaal uitsloeg: in drie kwartier voerde ze haar gehoor langs schrijvers en intellectuelen uit heel Europa: van Enzensberger en Magris tot Grunberg; van Yourcenar en Houellebecq tot Van Brederode. Van de aantredende hoogleraar straalde de aanstekelijke energie af van iemand met grootse plannen. Iemand die, in alle sierlijke en oprechte bescheidenheid, zeker weet dat ze de goede weg is ingeslagen. ‘We really are a winning team today’, zo sprak ze aan het eind van haar rede haar directe collega’s toe; een team dat principieel comparatistisch en interdisciplinair werkt en dat zich niets gelegen laat liggen aan de vaak beperkende tradities en grenzen van de traditionele talenstudies, zoals de romanistiek of de neerlandistiek.Tekenend voor die zelfverworven autonomie was de prikkelende practische consequentie die Heynders verbond aan haar betoog over de rol(len) van de schrijver als publieke intellectueel in het hedendaagse Europa. ‘We have to keep the people aware of the power of literature as a reflective medium’, zei ze. Hoe dat moet? Welnu: ‘The First step I would propose is to bring in European issues in the current literature curricula in secondary schools. The separate reading lists for the Dutch, German, French and English departments in schools, focusing only on literature written in Holland, Germany etc, are not representative of Europe and may not be very challenging for pupils today, meeting each other on international social media sites’.
Voorwaar een gepeperde stelling waaraan lang niet elke (van huis uit) neerlandicus zich een buil zou durven vallen. Goed dat Heynders dat wel doet: ik hoop dat erop gereageerd wordt, de kwestie is er belangrijk genoeg voor.
‘Ik wil weg uit de neerlandistiek’ vertelde Heynders me later op de avond. Ik wist niet beter te zeggen dan ‘ja, dat snap ik’. Of zoiets. Pas toen ik op weg naar huis was, bedacht ik een beter antwoord: ‘weg uit de neerlandistiek? En als de neerlandistiek nou eens een heel stuk met je mee wil?’

vrijdag 30 oktober 2009

Marita

Een lange dag, vandaag, met voor de afwisseling eens niet 1000 dingen, maar slechts één: we vierden een marathonfeestje bij gelegenheid van het afscheid van Marita Mathijsen als hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam.

Marita met emeritaat? Tsja, ze wordt doorgaans jaren
jonger geschat dan ze eigenlijk is. Toen in 2003 Marita’s boek De gemaskerde eeuw verscheen, kende ik haar nog niet zo heel lang, maar toch lang genoeg om zeker te weten dat ze toen een jaar of twee, drieënvijftig was. Iemand voor wie de ‘pensioenplichtige leeftijd’ (Marita) nog ver, zeer ver weg was. Een wetenschapper in het zenit van haar carrière, vol plannen en ideeën en in full swing. Toen ik haar boek gelezen had, bleek dit allemaal te kloppen, behalve haar leeftijd.

Er zit veel Marita Mathijsen in De gemaskerde eeuw. Ze begint en eindigt het boek bij zichzelf: op de eerste bladzijden maken we kennis met het jonge meisje in Belfelt, dat tussen de Limburgse boerderijen en arbeidershuisjes de negentiende eeuw nog een hand kon geven. Op de laatste bladzijde staan we op het Spui in Amsterdam, midden in de heksenketel van de summer of love. Daar, schrijft Marita, werden de verworvenheden van de 19e eeuw voor het eerst zonder schroom geëtaleerd. Het demasqué van de eeuw was een feit.

Marita heeft er zelf ook tussen gestaan, in 1968. Als vierentwintigjarige studente, die wat vreesachtig achter haar aksie voerende man aanhobbelde, haar eigen ambitie om de brieven van de Schoolmeester uit te gaan geven nog even uitstellend voor de revolutie. Ze was erbij, en het gaat over haar. Die betrokkenheid, waarvan haar hele werk op het gebied van de 19e-eeuwse cultuur doortrokken is, maakt De gemaskerde eeuw zo’n onweerstaanbaar boek. Marita zet zichzelf nadrukkelijk in, als verbeeldingsrijke gids die het verleden bijna tastbaar maakt.

Het is dezelfde betrokkenheid die Marita’s colleges zo vermaard hebben gemaakt. Ze sleept allerlei attributen aan, sporttassen vol. De halve inboedel van de Nicolaes Maesstraat wordt aan de studenten getoond. En ze mogen er aan zitten. Voelen, ruiken. Aanschouwelijk onderwijs. Mooi moment is het jaarlijkse college waarin ze met een skelet komt aanzetten. Een hele onderneming, waarvoor ook haar verloofde Floris een hele dag vrij schijnt te nemen. Vorig jaar was ik er getuige van hoe hij in een aftandse Volvo met dat geraamte kwam aanrijden, en hoe Marita en hij, als twee kibbelende amanuenses, tien minuten met dat rammelende ding stonden te hannesen op de stoep. Maar de studenten hebben het er nóg over. Net als over de zwervers die Marita steevast in haar college over de 19e-eeuwse liefdadigheid uitnodigt. Of ze hebben het gewoon over Marita Mathijsen zelf. Dat dat toch zo’n markante persoonlijkheid is, die de 19e eeuw in haar colleges zo verbazingwekkend dichtbij weet te halen. We kunnen de negentiende eeuw ruiken, ook zonder zwervers.

De negentiende eeuw is een vrouw, zo begint Gemaskerde eeuw. Dat klopt. De negentiende eeuw is Marita Mathijsen.

Nou weet Marita als geen ander dat dat niet alleen goed nieuws is. De eeuw kan natuurlijk alleen gemaskerd zijn, als er ook wat te maskeren valt. Ontucht, misdaad, drankzucht – het gaat in Marita’s werk opvallend veel over de donkere, veile kanten van de mens.

We hebben Marita vandaag geloofd, geprezen, bedankt, bewonderd en in de adelstand verheven, maar persoonlijk houd ik vooral van haar omdat de lieve knuffelmarita ook een vileine, misschien wel een beetje gemene, menselijke kant heeft. Een kant die ze cultiveert en waar ze zelf met zo’n typische licht sardonische Marita-grinnik over kan vertellen. De Marita die subliem kan roddelen, die met aanstekelijke pretoogjes kan opscheppen, die haar collega’s nuttige, maar ongevraagde en op z'n zachtst gezegd onconventionele adviezen geeft op het gebied van liefde en seksualiteit, en die kwade bedoelingen op een kilometer afstand herkent.

Het leuke is dat al deze zegenrijke valsigheid volkomen openlijk en met grote innemendheid wordt geëtaleerd. Marita is en blijft de soixante-huitard (al zou je haar tenminste tien jaar jonger schatten) die niet van maskers houdt – ze heeft niet alleen de maskers van de 19e eeuw opzij geschoven, maar ook die van haarzelf. Ook in dat opzicht is er bij haar niet heel veel onderscheid tussen leven en werk. Ik ken geen andere collega die zichzelf zo persoonlijk, en zo volledig als mens inzet voor haar vak en voor de collega’s en promovendi om wie ze geeft.

Het was een prachtige dag, maar we blijven een beetje treurig achter. Als trotse, maar ook deemoedige bewaarders van Marita’s professionele erfenis, hopen we iets te hebben geërfd van de haar kenmerkende betrokkenheid: bij studenten, vakgenoten én het object van het vak.

Gelukkig mochten we Marita vandaag strijdbaar horen zeggen dat ze niet voor de goede zaak verloren is. Verrassend was dat niet (wie een beetje thuis is in de neerlandistiek of in de literatuur weet dat Marita’s energie en productiviteit niet te stuiten zijn en dat niets erop wijst dat dat zal veranderen), maar prettig wel. Dat emeritaat, dat is allemaal goed en wel, maar ze moet haar goede werken natuurlijk wel gewoon voortzetten. Want zoals zij, zo worden ze niet al te vaak geboren.

woensdag 28 oktober 2009

'n Indisch avondje in Amsterdam

Op vrijdag 23 oktober ging Nederland Leest 2009 van start in de OBA. De openingsavond werd verzorgd door de Werkgroep Indische Letteren, aangezien dit jaar Oeroeg van Hella Haasse gratis wordt aangeboden aan de lezer. Hans van Velzen, directeur van de OBA, greep de gelegenheid aan om te laten zien dat ‘Amsterdam boordevol Indië is’. Op de website van de bibliotheek kan je nu zelfs een Indische fietstocht door Amsterdam vinden, die voert langs memorabele plekken die de koloniale herinnering aan het Amsterdamse VOC-verleden tot leven brengen.

Het was een Indisch avondje. Pamela Pattynama hield een lezing over Oeroeg (1948) en Sleuteloog (2002), waarin ze aantoonde hoe de vergelijking tussen beide werken niet alleen de ontwikkeling in het denken van Hella Haasse zelf aan het licht brengt, maar ook een metafoor vormt voor de publieke verwerking van een koloniaal verleden. De man van gas en licht van Nicolette Smabers werd gepresenteerd, waaruit blijkt dat Indië nog altijd een hedendaags onderwerp vormt. In de pauze was er spekkoek, Theodor Holman las op bevlogen wijze een brief van Tjalie Robinson voor, en daarna hield Wim Willems een lezing over deze Indo-voorvechter. De avond werd afgesloten met een discussie.

Deze discussie werd geleid door Kester Freriks en en Sylvia Dornseiffer en droeg de titel “Ik hoor hier niet bij”, Indische stemmen in de literatuur. Kester Freriks lichtte de titelkeuze toe met de volgende zin: ‘Buitenstaanderschap is een wezenlijk kenmerk van de Indische literatuur.’ Zo verweet de nestor van de Indische literatuurwetenschap, Rob Nieuwenhuys, Hella Haasse bijvoorbeeld dat zij geen goed boek kon schrijven over de Indische samenleving, omdat ze blank was. ‘Voel jij je een buitenstaander binnen de Nederlandse literatuurwetenschap?’ vroeg Dornseiffer aan Pattynama. ‘Heb jij dat gevoel ook, dat je er niet bij hoort?’ Vol overtuiging – en hoorde ik daar lichte verontwaardiging in haar stem? – antwoordde Pattynama: ‘Ik hoor er wel bij! Indië is een belangrijke component van de Nederlandse cultuur en dus ook van de literatuur. Mulisch, Hermans en Reve hebben ook over Indië geschreven.’

De discussie over ‘erbij horen’ ging verder. Over de plek van de Indische literatuur binnen de Nederlandse literatuurgeschiedenis, en vooral het gebrek aan die plek. Over dat het niet mogelijk is in Nederland om tegelijkertijd Indo en Nederlander te zijn. Je moet ergens bijhoren, een keuze maken. Er werd een stukje vertoond uit de documentaire Ik ben een Indo ja, en zo wil ik leven die Ida Does maakte over Tjalie Robinson. In dat fragment kijkt Robinson vol verbazing naar de hoeveelheid spullen die Nederlanders in hun huis zetten: ‘Als ik ooit zo ga leven ben ik verloren.’ Misschien is die worsteling met de betekenis van identiteit wel het belangrijkste kenmerk van de Indische letteren. Een universeel en tijdloos thema overigens, want is dat ook niet waar het in hedendaagse migrantenliteratuur allemaal om draait?

Ik begon me wat ongemakkelijk te voelen, en ik keek eens om me heen. Ik telde nog vier andere blonde mensen in de zaal. Naast mij zaten de oprichters van de website www.indisch3.nl, een weblog voor derdegeneratie Indische Nederlanders. Kennelijk zijn het vooral Indische mensen die de Indische letteren lezen, op zoek naar jeugdherinneringen, of de geschiedenis van ouders en grootouders. In mijn gedachten sprak de geest van Rob Nieuwenhuys mij streng toe: ‘Jij bent zo blank als Hella Haasse, hoe kan jij nou ooit iets goeds schrijven over de Indische letteren?’ Ik was een Nederlandse stem in de Indische literatuur. Ik hoorde er niet bij.

En opeens vroeg ik me af: Willen de Indische letteren er eigenlijk wel bijhoren? Als alle Indische auteurs worden opgenomen in een volgende Nederlandse literatuurgeschiedenis, waar zal de discussie dan over gaan? Ik bleek een medestander te hebben in Nicolette Smabers, die heftig zei: ‘Uitzoeken in hoeverre mensen Indisch zijn is muggenzifterij. We kunnen het ook breder zien, de discussie kan over migratie gaan, ook nu zijn er kinderen die tussen twee culturen leven.’ Ik haalde opgelucht adem. Iemand durfde het te zeggen. Als je wilt dat de Indische letterkunde een prominentere rol gaat spelen binnen de Nederlandse literatuurbeschouwing, dan is het nodig om verder te kijken dan kwesties als ‘Hoe Indisch is deze auteur’ en ‘Waarom horen we er nog altijd niet bij’. Dan moet je het over de inhoud gaan hebben.

Maar deze avond kreeg ik de indruk dat de Indische letteren zover nog niet zijn. De neiging om het unieke van de Indische literatuur te koesteren en te beschermen is te sterk. Zo noemde Pattynama de schrijfster Maria Dermoût een ‘verborgen juweel’, en daar voegde ze aan toe: ‘En ik weet soms niet of dat moet veranderen, of dat dat zo moet blijven.’ Duidelijker wordt het niet: de Indische letteren willen Indisch blijven, en lijken er nog niet aan toe te zijn om naast spekkoek ook bitterballen te serveren.

vrijdag 16 oktober 2009

HijHeldArnonGrunberg

In 1968 verklaarde Roland Barthes de dood aan de auteur als enige sleutel tot de geheimen van de meerstemmige tekst. Toch verleiden we de schrijver om antwoord te geven op vragen over zijn eigen werk. Stiekem hoor je het liefst: ‘Je hebt gelijk jongen, goed gezien,’ gevolgd door een bemoedigend schouderklopje. Arnon Grunberg was niet geheel overtuigd van mijn interpretatie van Onze oom (2008). Gelukkig maar, anders konden we allebei beter iets anders gaan doen.

Van het oeuvre van Ronald Giphart herinner ik mij slechts één moment. De jonge schrijver en student Nederlands, Giph, probeert met zijn studentenvrienden bij het boekenbal naar binnen te sneaken. Dat lukt. De jongens ontmoeten hun idool, hun schrijversidool, ‘HijGodJeroenBrouwers’.

Een schrijver is allang geen god meer, hoogstens een held, met alle menselijke tekortkomingen van dien. In Leiden volg ik vanaf september college bij ‘HijHeldArnonGrunberg’, zeven weken lang, drie uur per week.

Ook in Amsterdam hadden we Grunberg nodig, niet om één exacte reden – die was er niet – maar om heel veel redenen. ‘Zoveel redenen als sterren aan de hemel,’ zou Kader Abdolah schrijven.

Dinsdag 13 oktober 2009 verscheen Arnon Grunberg op uitnodiging van dr. Yra van Dijk in collegezaal 4.11 van het P.C. Hoofthuis. Grunberg zou meediscussiëren tijdens het college ‘Literatuur en betekenis. Casuscursus intertekstualiteit.’ Ik mocht het spits afbijten en vertellen over Onze Oom (2008) in het licht van de Griekse tragedie. Een eer, een unicum.

Iets over negen, het college begint. ‘Heb je het gelezen?’ vroeg ik Arnon. ‘Wat, bedoel je?’ zei hij, niet direct begrijpend. ‘Of je Onze oom gelezen hebt, een grapje.’ De schrijver toverde een brede grijns op zijn gezicht. Spannend vond ik het wel. Ik zou de schrijver zijn eigen boek gaan uitleggen.

In Onze oom zie ik sporen die ons naar de Griekse tragedie leiden. Het boek is verdeeld in vijf parten, vijf bedrijven. Hiernaast vertoont majoor Anthony overeenkomst met Antigone uit Sofokles’ tragedie Antigone. Net als Antigone leidt Anthony’s hoogmoed (hij neemt het kind Lina mee, hierdoor gaat Anthony als individu in tegen de wetten van de staat, ‘die als een oom voor hem is’(1)) onherroepelijk tot zijn ondergang (majoor Anthony wordt veroordeeld (!) tot dood door vergeetachtigheid, hij sterft in een gat in de grot). Ook voldoen de plot en de personages aan enkele eisen die Aristoteles aan de tragedie stelt in zijn Poëtica.

Terecht schrijft Kierkegaard dat Aristoteles’ definities een algemeen karakter hebben, ‘waardoor men het goed met hem eens kan zijn, terwijl men het in andere zin met hem oneens is.’(2) Hierom maakt Kierkegaard onderscheid tussen ‘het antiek tragische’ en ‘het moderne tragische’.
‘Ook al kon het individu zich vrij bewegen, het rustte toch in substantiële bepalingen, in de staat, in de familie, in het noodlot. Deze substantiële bepaaldheid is het eigenlijke noodlotzwangere in de Griekse tragedie en datgene wat haar ten diepste typeert. De ondergang van de held is daarom niet alleen maar een gevolg van zijn handelen, maar tegelijkertijd een lijden, waarentegen de in de nieuwere tragedie de ondergang van de held in wezen geen lijden is maar daad. In de nieuwere tijd zijn daarom eigenlijk situatie en karakter het overheersende. Wat ons interesseert is een zeker specifiek moment van zijn leven als zijn eigen daad. De held staat en valt volledig met zijn eigen daden.’ (3)

Het onderscheid tussen het antiek en het moderne tragische is in Onze oom niet zo makkelijk gemaakt. Toch blijkt Kierkegaards context uiterst productief om de personages Lina, majoor Anthony en de Dirigent beter te begrijpen. Tot slot leidt de Griekse tragedie ons naar de kwintessens van de ethische discussie in Onze oom: moraal is afhankelijk van de situatie en omgeving waarin je verkeert.

Ik eindigde met een voorlopige conclusie: ‘Door Onze oom te lezen via de context van de Griekse tragedie krijgt het boek een relevantere betekenis en krijgen we beter inzicht in Grunbergs vaak moeilijk te doorgronden personages en ethiek.’ Vervolgens stelde ik de vraag of Grunberg zich in het spoor van Sofokles begeeft, en de tragedie met Onze oom nieuw leven inblaast.

Een verhitte discussie kwam niet van de grond. Dan toch maar de auteursintentie. Ik vroeg Grunberg of hij bewust de parallel met Antigone in zijn boek had verwerkt. ‘Antigone is één van de tragedies die ik beter ken dan vele andere - ik heb het als toneelstuk vaak gespeeld op het Vossius gymnasium, ik had een bijrol, ik zat in het koor - maar heb haar niet bewust in het boek gestopt.’ Hoewel ik hem geloofde, vond ik het toch een dubbelzinnig antwoord. Grunberg vervolgde: ‘Ik ben bovendien niet geheel overtuigd. Ik vind dit een aanzet, maar als je een parallel wilt aanwijzen, zou ik meer willen weten, dan... dit.’ Hij keek naar mijn hand-out alsof het een vodje papier betrof, een belediging voor zijn werk.

Bijna viel ik in een spleet in de aarde. Maar ik herwon mezelf en kwam boven. ‘Dus je wilt een bewijs van één-op-één?’ zei ik. ‘Schrijvers verraden in de tekst bijna nooit letterlijk hun bron. Hiernaast heb ik meer argumenten gegeven voor een tragische lezing dan alleen de Antigone-parallel. Bovendien schrijft Roland Barthes in “De dood van de auteur” dat niet de auteur, maar de lezer het laatste woord heeft. “De lezer is de ruimte waar alle citaten waaruit het schrijven bestaat resoneren, waar hun inscriptie plaatsvindt zonder dat er ook maar één verloren gaat.’’’(4)

‘Dat ben ik met je eens, ik ben hier geheel overbodig,’ zei Arnon afgemeten. Yra van Dijk doorbrak de impasse en nam de discussie over. Haar vragenvuur ging over het Bijbelse offer, de leegte, Nietzsches dionysische versus het apollinische.

In zijn antwoorden verklaarde Grunberg de daden en ideeën van zijn personages op grond van hun karakter, omgeving en situatie. Hij omschreef zichzelf als een ‘literair antropoloog’, toch iets anders dan een ‘literair filosoof’.

Langzaamaan kwamen de vragen van studenten aan Arnon. Grootse, maar moeilijk te beantwoorden vragen, gebaseerd op citaten van Schopenhauer, Nietzsche en Hegel. Er werd met filosofen gestrooid als waren ze witte rijst bij een bruiloft, op hoop van zegen.

Voor de discussie was het beter geweest als Grunberg van te voren dezelfde teksten had gelezen. Of we hadden duidelijk één onderwerp moeten kiezen om over te praten. Het was wat ongericht, maar daarom niet minder aangenaam. De schrijver, onze held, zat in ons midden.

Mijn verlossing kwam pas de volgende dag, in Leiden, mijn geboorteplaats. Tijdens het college over Langzame man (2005) van J.M. Coetzee, sprak Grunberg de volgende woorden. ‘Een schrijver kan zich vergissen in zijn eigen bedoelingen, soms begrijpt hij zijn eigen verhaal niet. Een goede schrijver kan een slechte interpreet zijn van zijn eigen werk.’

Het was het laatste college over Coetzee, ik nam afscheid van Arnon in deze context. ‘Leuk je ontmoet te hebben,’ zei hij, gevolgd door een natte hand, mijn schouderklopje.

(1) Arnon Grunberg, Onze oom. Amsterdam: Lebowski publishers, 2008. p. 16.
(2) Søren Kierkegaard, ‘De weerspiegeling van het antiek tragische in het moderne tragische’, in Of/Of. Een levensfragment, vertaald door Jan Marquart Scholtz. Amsterdam, Boom. pp. 149-177. p. 152.
(3) Kierkegaard, p. 155.
(4) Roland Barthes, ‘De dood van de auteur’. In: Het werkelijkheidseffect. Brussel: Historische Uitgeverij, 2004. pp. 121-122.

dinsdag 13 oktober 2009

Het spetterende dichtersbolwerk



Vrijdagavond vond er een dichtersfeest plaats rondom de prijswinnaar van de Jo Peters Poëzieprijs uit 2008: Edwin Fagel, de dichter die vorig jaar tijdens een poëziefestival in Landgraaf te horen kreeg dat niet het werk van Micha Hamel, Ruth Lasters of Ester Naomi Perquin in de prijzen viel, maar dat zijn bundel Uw afwezigheid bekroond zou worden (zoals dat in 2002 bij Alfred Schaffer gebeurde, in 2004 bij Hagar Peeters en in 2006 bij Jan-Willem Anker). Vorig jaar ontving hij het eerste deel van de prijs (€ 1250,-), vrijdagavond het tweede (€ 2750,-), een opsplitsing die uiteraard alles te maken had met enkele voorwaarden: Fagel had de opdracht gekregen een tweede, ‘door de Stichting Jo Peters PoëziePrijs bibliofiel uit te geven’ bundel te schrijven. Gisteravond was het dan zo ver, Fagel heeft zijn tweede bundel genaamd Schilder en model gepresenteerd. In het afgehuurde Perdu kreeg hij een eerste exemplaar. De overige 139 exemplaren werden voor slechts 35,- euro aan de bezoekers aangeboden.

Vanuit de dichtershoek was natuurlijk niet alleen Edwin Fagel aanwezig. De avond werd geopend met voordrachten van eigen gedichten door Hester Knibbe, Erik Menkveld, Tonnus Oosterhoff en Saskia de Jong. In het publiek trof men ter ondersteuning van het dichtersaandeel onder andere Robert Anker, Mustafa Stitou, Marjoleine de Vos en Erik Lindner aan. Het geheel werd gepresenteerd door de nog niet bekroonde dichter Tsead Bruinja, die ons overigens verzekerde een luid publiek met een knuppel stil te slaan, mocht het zover moeten komen. So far so good. Het dichtersbolwerk stond in vuur en vlam; goede presentatie, zeer feestelijke en uiteenlopende voordrachten. Maar toen, toen was daar het tweede gedeelte: een interview met Fagel door Marja Pruis.

Ik ben die avond fan geworden van Fagel, ik heb ook niets tegen Pruis. Waar ik kennelijk wel moeite mee heb, is de combinatie Fagel-Pruis in de vorm van een interview. Ik begrijp dat ik het gesprek moet zien in de context van een feestelijke (lees: politieke) aangelegenheid, in de context van een vrolijke prijsuitreiking, maar het tamelijk chemieloze gesprek dat er tussen de twee plaatsvond had wel iets uitdagender, voor mijn part provocerender mogen verlopen. Dat de twee daar niet in konden slagen had volgens mij alles te maken met de brave, doch dominante interviewer die vragen stelde van de strekking ‘kan je jouw baan met dichten combineren’ of ‘wat betekent deze zin’. Pruis ging al de fout in door Fagel vooraf te laten kiezen tussen een persoonlijk of principieel gesprek… Fagel koos voor het laatste, maar op een of andere manier slaagde Pruis er niet in de persoon Fagel los te laten. Ging het niet over zijn werk (iets met dakbedekking?), dan ging het over zijn omgang met interpreterende lezers. Als je Fagel voor de keuze stelt, houd je dan ook aan de afspraak. Beperk je principiële vragen in ieder geval niet tot een of twee.

Opmerkelijk vond ik ook de vergelijking met Martinus Nijhoff die Pruis maakte en die Fagel met gemak over zich heen liet komen. Fagel gaf aan dat hij de vergelijking in de eerste instantie zelf niet zo gemaakt zou hebben, maar dat hij zich er wel in kon vinden: net als Nijhoff maakt hij gebruik van religieuze motieven, terwijl hij toch ongelovig meent te zijn. Deze vergelijking kwam toen al, maar achteraf gezien helemaal, een beetje plat op mij over. Was daar op doorgegaan, denk ik dan. Had ze dat gedaan, had ze een duik in het werk durven nemen, dan had ze het gesprek weer in de principiële richting kunnen duwen. Door niet dieper op de vergelijking in te gaan, miste ze een kans.

Maar goed, misschien paste een grondige analyse ook wel niet bij deze feestelijke (lees: politieke) aangelegenheid, waar het iedereen uiteindelijk om te doen was. Op de website van Fagel valt, gelukkig, dan ook te lezen dat het gesprek in zijn visie prettig is verlopen. En ik snap dat ook wel, het was een ‘prettig’ interview. Het was een vredig, oprecht, instemmend en vriendelijk interview. Ooms en tantes konden er ook van genieten (en dit bedoel ik niet cynisch). Bovendien, zo bleek uit het interview, houdt Fagel helemaal niet van voordrachten: een gedicht moet je lezen en een dichter dien je persoonlijk te benaderen, het liefst met een bundel in je hand (wat ik een hele sterke marketingstunt vond). Misschien geldt dat inderdaad wel voor de poëzie voor Fagel, en voor Fagel zelf ook. Misschien moet je zijn poëzie wel gewoon lezen en hem persoonlijk aanspreken. Aan de andere kant ben ik geneigd te zeggen, dat het jammer is dat hij niet graag en dus ook niet vaak een voordracht houdt: na het interview hield hij een hele, hele mooie.

Het feest ging na de laatste woorden van Bruinja, die zijn knuppel niet tevoorschijn heeft gehaald, nog even door. Handjes en schouderklopjes, felicitaties en toosten. En ik stond achter de bar een man met een kwade dronk te bedienen.