Maar ik dacht: Droogstoppel (en die bestaat, ik ken er eentje) zal vreselijk hebben gebaald van die opdracht. Waarom maak ik van mijn essay niet een verontwaardigde brief aan de docent, van Droogstoppel zelf? Tenslotte deed Marita zelf ook zoiets (maar dan wetenschappelijk verantwoord) in De geest van de dichter, waar zij zogenaamde gesprekken voert met 19e-eeuwse dichters, een meesterlijk boek waarvoor ze in 1991 de Multatuliprijs kreeg.
Rest mij mijn essay in te leiden met de woorden van een schrijver die ook in een van de inspirerende colleges van Marita voorbijkwam, Helmers in De Hollandsche natie: “Hoe het ook zij, mogt gij bij het lezen van dit werk zoo veel genoegen smaken als ik bij het vervaardigen genoten heb, dan zou ik mij dubbel beloond rekenen”.
Zeer Geachte Hooggeleerde Mevrouw Professor Mathijsen,
Ik, Batavus Droogstoppel, makkelaar in koffie, Lauriersgracht No.37, heb niet de gewoonte brieven en zulke zaken te schrijven, maar aangezien ik nog een paar riem papier in mijn lessenaar had bewaard voor onvoorziene omstandigheden, wil ik graag van de gelegenheid gebruik maken om u ‘t een en ander over te brengen.
Ik mag dan nog niet de eer hebben gehad om tot Officier in de Orde van Oranje-Nassau te zijn benoemd, zoals u – terwijl ik zulk een onderscheiding wellicht elk moment zal kunnen verwachten aangezien ik leef voor mijn vak, en dat zal niet ongemerkt zijn gebleven, overigens zou ik met Ridder in de Orde ook tevreden zijn, als bescheiden man ken ik mijn plaats – , toch waag ik dit schijven om u mijn onvrede duidelijk te maken over uw opdracht aan studenten. Als hooggeleerde vrouw zult u na het lezen van deze brief ongetwijfeld moeten erkennen, dat de resultaten van een opdracht als deze, waar het onderwerp: ‘verlies van grip op mijn gezin’ beschreven zou moeten worden, bij voorbaat, alleen geheel en al uit infame leugens en onwaarheden zal kunnen bestaan! Het zal eenzelfde soort verzameling zotternijen opleveren als de romans en poëzij van mijn tijdgenoten, schrijverij dat u in uw colleges placht aan te halen als verantwoording voor het feit dat vele straten in uw tijd vernoemd zijn naar dit soort leugenachtige lieden. Ik ben zoals u merkt, niet onterecht, lichtelijk verbolgen over uw optreden, en nadat ik eerst pardon heb geschreven voor mijn vurigheid, want ik ben altijd beleefd, zal ik u bedaard uitleggen hoe de zaken werkelijk staan.
Mijn vrouw mag dan een juffrouw zijn, maar ik, makelaar in koffie, ben in mijn gezin zeer stipt op onder meer godsdienst en zedelijkheid, en er is geen sprake van dat mijn gezag ook maar in het minst zou verminderen zoals u in het boek van Eduard Douwes Dekker denkt te kunnen vaststellen (Ha, Multatuli, zo vernoemt hij zich, is het niet van een overdreven schande?! Alles leugens en gekheid zeg ik u!). Mijn liefde voor de waarheid is mijn hoofdneiging, moet u weten, en dat kan met goed fatsoen jammerlijk niet van alle staatsburgers gezegd worden, dat moet u als Officier in de Orde toch roerend met me eens zijn.
Mijn Frits mag dan misschien wat eigenwijsachtig wezen met zijn taal, maar door mijn aanhoudende verbeteringen, want ik ben altijd geduldig, zal hij ooit het voorbeeld van mijn fatsoenlijk Nederlands in zijn mond nemen en met waardigheid mijn plaats kunnen innemen bij onze firma Last & Co. Hij is pas zestien jaren oud ziet u, en heeft nog veel te leren. De invloed van de jonge Stern heeft hem ook geen goed gedaan, dat moge duidelijk zijn. Verzen vol nonsens schrijven en andere van buiten leren, u zult begrijpen dat ik mijn Frits zo niet heb opgevoed, en mijn vrouw ook niet. Maar ik heb mijn plicht als vader vervuld en hem eens goed onder handen genomen. Spoedig zal het nu tot Frits doordringen dat pedanterie en zedeloosheid ten verderve leiden, eventueel met nog wat bijsturing van mijn hand. Mijn Marie is dertien jaar, en hadden zij en mijn Frits het pak van Sjaalman niet geopend, waaruit zij een neuswijsheid en sentimentaliteit hadden geput, zou me dat veel last hebben bespaard. Dan had ook mijn Frits Marie nooit aan het lachen gemaakt toen ik bij ’t ontbijt uit de Schrift las. Dat pak van Sjaalman is een waar Trojaans paard, waar niet alleen mijn kinderen, maar iedereen die het leest door wordt bedorven. Op de krans van de Rosenmeyers wordt er nu reeds op verzoek recht veel (uw studenten zouden zeggen: vet veel, maar dit doe ik niet) uit voorgelezen. Dit alles tegen mijn zin zult u begrijpen. Maar ik ben een man van het woord, en het was nu eenmaal afgesproken, hoezeer mij dat ook spijt achteraf.
Wel moet ik u om verschoning vragen als het gaat om het gedrag van de jonge Stern, die niet tot mijn gezin behoort. Hij kent allerlei tuig van verzen uit het hoofd en meent daarmee zelfs mijn Marie in de war te moeten maken. Leugens over gezangen met vleugels en andere onwaarheden, alles laf geklinkklank van woorden zonder slot of zin. Marie heeft daardoor de stichting van het ontbijt niet kunnen voortzetten, waarop ik haar gestraft heb met drie dagen kamerarrest op koffie en brood, want dit is een nuttig principe van me. Maar gelukkig heb ik ook de jonge Stern op het goede kunnen wijzen en zal hij daarvan geen geheim maken als hij zijn vader schrijft om mede te delen dat hij in een solide familie huist. Mijn vriend Dominee Wawelaar heeft Frits nog toegesproken, al was dat natuurlijk niet nodig geweest aangezien hij uit z’n spaarpot op mijn aanraden al iets aan ’t zendelinggenootschap had geschonken. En toen hij uitleg gaf over de bokken aan de linkerzijde en Gods onnaspeurlijke wegen, hebben Marie en mijn vrouw de dominee hierop eerbiedig toegelachen, in tegenstelling tot hoe het in het onware boek van Dekker staat beschreven. Want mijn gezin begrijpt hoe God alles zo bestiert dat rechtzinnigheid tot rijkdom voert. Vooral in Nederland, en dat is Gods wil zo.
U ziet hooggeachte mevrouw, dat waar ’t principes geldt, ik niemand ontzie, en dat er in het geheel geen sprake is van verlies van grip of dat soort laffe zaken. Ik hoop u met dit schrijven er dan ook van te hebben overtuigd dat uw opdracht er een van het leugenachtige soort is, dat ten allen tijden vermeden dient te worden.
Mocht u aan de hand van dit schrijven eens in echt gesprek (en niet een zogenaamd!) willen gaan om te ondervinden dat mijn geest van meer solide aard is dan die van mijn leugenachtige tijdgenoten, dan ben ik ten allen tijden bereid u een superieur kopje koffie aan te bieden en beleefd te woord te staan, zodat er in de toekomst wellicht iets degelijks van uw hand moge verschijnen. Want deftigheid en fatsoen laten zich niet verbergen, dat moge duidelijk zijn.
Met speciale Hoogachting, en vaderlijke groet,
Batavus Droogstoppel
(firma: Last & Co, makelaars in koffie, Lauriersgracht No 37)




In 1968 verklaarde Roland Barthes de dood aan de auteur als enige sleutel tot de geheimen van de meerstemmige tekst. Toch verleiden we de schrijver om antwoord te geven op vragen over zijn eigen werk. Stiekem hoor je het liefst: ‘Je hebt gelijk jongen, goed gezien,’ gevolgd door een bemoedigend schouderklopje. Arnon Grunberg was niet geheel overtuigd van mijn interpretatie van Onze oom (2008). Gelukkig maar, anders konden we allebei beter iets anders gaan doen.